Duurzame Economie

Er zijn nogal wat grote, structurele problemen in de wereld. In mijn eerdere boeken komen ze al aan bod: armoede, honger, extreme ongelijkheid. Klimaatverandering, afvalstromen, natuurverwoesting, uitstervende soorten. Vluchtelingen, discriminatie, onmacht, vervreemding. Perverse economische prikkels, uitputting van grondstoffen, ineenstortende economieën. Dat is een waslijst aan problemen, en hij is nog niet eens compleet. Het wrange is: we beschikken over tal van hulpmiddelen om ze op te lossen. Zo wordt er al jaren voldoende voedsel geproduceerd om alle honger uit te roeien, en zijn er prima technische methoden om de klimaatverandering in te dammen. Nee, aan de techniek ligt het niet. Dat al die structurele vormen van onduurzaamheid blijven bestaan, is allemaal een kwestie van economie. Het wereldwijde economische systeem is onvoldoende in staat of bereid om duurzame oplossingen aan te dragen en uit te voeren.

De economische wetenschap dient zich te baseren op complexe systemen. Het wereldwijde economische stelsel is onmiskenbaar zo’n complex systeem. Complexe systemen bezitten attractoren: dat zijn toestanden of cycli waar zo’n systeem als vanzelf naartoe lijkt te bewegen, alsof er een aantrekkende kracht is die ze daarheen zuigt. Het huidige economische systeem bezit attractoren die ons onder meer zuigen naar: extreme ongelijkheid, natuurverwoesting, onbegrensde groei, en van tijd tot tijd een economische instorting (zoals de Great Recession). Het bestaan van die onduurzame attractoren is de reden waarom we voortdurend moeite moeten blijven doen om niet in een put te belanden. Een intrinsiek duurzame economische wetenschap moet ervoor zorgen dat dat radicaal omdraait: de attractoren dienen juist duurzaam te zijn en ons vanzelf te trekken in de richting van een reeks gewenste sociale, economische en ecologische doelen.

Complexe systemen kunnen in principe op drie manieren ontstaan. Op basis van een ontwerp, een blueprint: een computer bijvoorbeeld. Als gevolg van een spontaan stap-voor-stap groeiproces, zoals eeuwenoude steden of nationale wegennetten. Of door evolutie, waarbij de complexiteit in de loop van vele duizenden generaties toeneemt.

De economie is hier nog niet en bevindt zich in een fase die protowetenschap heet. Dit is te zien aan:

  1. Er bestaan scholen die elkaar beconcurreren om de kern van het vakgebied. Daaruit blijkt dat de essentie van het vakgebied nog niet gepakt is.
  2. De heersende paradigma’s zijn – op zijn minst deels – impetuswoorden.
  3. Met behulp van die impetuswoorden worden vragen gesteld en verhalen verteld (‘mythen’) die verwarrend, wazig, tegenstrijdig, paradoxaal of aantoonbaar niet waar zijn.
  4. Er wordt gebruikgemaakt van methoden die succesvol zijn in andere vakgebieden, maar minder in dit vakgebied.
  5. Experimenten worden niet of weinig uitgevoerd, en voor zover ze dat worden, zijn de resultaten niet of slecht herhaalbaar.
  6. Er is geen of weinig voorspellende kracht of andere vorm van ‘succes’.

Er moet dus een economische wetenschap, de economistiek komen die de duurzaam is!

Moet de economie om geld draaien? Meer geld maakt niet meer gelukkig!

Geld is een mooie uitvinding, maar geld is niet alles en mensen hebben ook andere waarden. De waarden die je probleemloos in geld kunt uitdrukken zijn economische waarden. Daar zijn diverse soorten van, zoals de marktwaarde, de exploitatiewaarde en de boekwaarde. En de utiliteitswaarde, oftewel het ‘nut’ van een object.

Bij waarden die niet of hooguit zeer subjectief in geld uit te drukken zijn, kun je denken aan de emotionele waarde van die glimlach of geur van zo-even. Of aan de historische of de culturele waarde van de Piramide van Cheops of het Vrijheidsbeeld. De morele waarde van een oprecht mens. De zeldzaamheidswaarde van een verkeerd afgedrukte postzegel uit 1930. De biologische of de ecologische waarde van de oerbossen in Brazilië, die – hoewel onschatbaar – vele malen groter is dan de economische waarde bij verkoop van het hout. (Helaas wordt het hout desondanks met een duizelingwekkende snelheid verkocht, want dat levert ‘winst’ op: opnieuw een falen van onze uitvinding ‘geld’.)

Geld is een zogenaamde hygiënefactor. Deze factoren als ze men ze mist verooraken een gebrek aan geluk of tevredenheid — en in sommige gevallen zelfs ziekte of de dood. Verkrijgt men ze, dan zal dat gedurende een beperkte periode een gevoel van geluk oproepen. Heeft men ze een tijdje, dan wordt het al snel ‘normaal’ en draagt het niet bij aan extra geluk — ook niet bij de verkrijging van steeds meer voedsel, schoenen of woningen. Hetzelfde geldt voor vrijwel alles wat met geld te koop is.

Er is onderzoek gedaan naar het verband tussen geluk en geld. Deze onderzoekers stelden vast dat er twee kanten zijn aan het beleven van geluk. Enerzijds onderscheiden zij ‘emotioneel welbevinden’, dat vooral met geluk op korte termijn te maken heeft. De facetten: een positief gevoel; de afwezigheid of een laag niveau van zorgen en neerslachtigheid, en de afwezigheid of een laag niveau van stress. Elk daarvan heeft een eigen curve in onderstaand plaatje.. Anderzijds is er het geluk dat is verbonden aan de lange termijn, dat omschreven wordt als ‘levenswaardering’.

Tijdens hun onderzoek stelden de heren vast dat het emotioneel welbevinden weliswaar toeneemt naarmate het inkomen hoger is, maar blijft steken rond de 75.000 tot 90.000 dollar per jaar. Méér geld verhoogt het welbevinden niet.

De conclusie: geld maakt gelukkig, maar niet gelukkiger wanneer men er meer dan voldoende van heeft.

Wat mensen wel nastreven is; liefde, vriendschap, gezin, levensvervulling, avontuur, mooie herinneringen, vrede, vrijheid, geloof, vertrouwen, waardigheid en waardering. Dit zijn de meest waardevolle dingen die we kennen. Sommige daarvan zijn met geld te koop, de meeste niet.

Een van de uitdagingen van een echte economistische wetenschap is om een wereldwijd systeem te ontwerpen waarin al die dingen een logische plek hebben; een systeem dat er bovendien voor zorgt dat alle mensen hun rechtmatige portie ervan kunnen bezitten. Zo’n systeem kan niet uitsluitend op geld gebaseerd zijn. Althans, niet op geld zoals we dat momenteel kennen.

Waar moet de economie dan wel over gaan?

Economie is meer dan geld alleen. Economie gaat over menselijke behoeftebevrediging en alles wat daarvoor nodig is, zoals de productie van waardevolle goederen, de handel erin en het transport ervan, en het leveren van overige diensten. Waar goederen en diensten schaars zijn, niet onuitputtelijk of vrijuit en kosteloos beschikbaar dus, gaat het bovendien over de verdeling daarvan tussen mensen en tussen groepen. En dus gaat het ook over werk, over bedrijven, over markten en over consumenten. Over besturen, regeren, overheden, politiek en burgers. En over alle wisselwerkingen daartussen.

Geld is belangrijk, wat is het?

Geld is het middel in een monetair systeem. Een monetair systeem zou moeen voldeoen aan doelen of randvoorwaarden. Bijvoorbeeld:

  • Verdeling: Inkomsten en bezittingen worden een beetje redelijk gedeeld of verdeeld, zodat armoede, honger en extreme ongelijkheid niet bestaan en iedereen een beetje prettig kan leven.
  • Saamhorigheid: Kwetsbaren, zoals kinderen, ouderen, zieken, gehandicapten en afwijkenden worden financieel beschermd en gesteund. Iedereen eigenlijk, waar dat nodig is.
  • Arbeid: Een eerlijke beloning wordt gegarandeerd voor geleverd werk. Dat werk is zinvol, passend, bevredigend en voor iedereen beschikbaar.
  • Handel: Eerlijke handel wordt bevorderd. Wellicht is oneerlijke handel zelfs onmogelijk of ondenkbaar.
  • Leefomgeving: Iedereen wordt op een vanzelfsprekende wijze gestimuleerd om zorgvuldig om te gaan met alles wat van waarde is, zoals grondstoffen, natuur, mensen, cultuur, milieu.
  • Waarde: Deze waarden, en die van goederen, diensten en kosten, worden op een reële manier tot uitdrukking gebracht.
  • Stabiliteit: In de loop van dagen, jaren, decennia en eeuwen ontstaan geen grote economische schommelingen of catastrofes die productie en handel doen stagneren waardoor mensen en samenlevingen de dupe worden.
  • Toekomst: Dit alles kan onbeperkt, tot in lengte van duizenden jaren, worden volgehouden, voor zover redelijkerwijs kan worden overzien. Toekomstige generaties zullen geen nadelige gevolgen ondervinden van onze levensstijl: geen achtergelaten rommel, geen beschadigingen, geen tekorten.

Geld met een Gouden Standaard.

Na de grote depressie in de Jaren ’30  werd het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank opgericht; Het IMF dient vooral als doel om betalingen tussen naties voorspoedig te laten lopen, om liquiditeit om de internationale valuta markt te handhaven en naties te helpen bij het regelen ervan. De Wereldbank zich vooral richt op de economische en sociale ontwikkeling in armere regio’s. de Amerikaanse dollar werd aangewezen als de basis van het wereldwijde monetaire systeem. Alle andere nationale munten legden hun wisselkoersen met de dollar vast. Tegelijk werd de waarde van de dollar keihard gekoppeld aan die van goud. Het waren de aangenaam duidelijke jaren van de Gouden Standaard.

In 1971 was het over met de Gouden Standaard. per direct werd de vaste koppeling van de dollar aan goud afgeschaft. Door deze beslissing werd de dollar een fiat currency: een munt die als geld beschouwd wordt, puur omdat een regering aldus besloten heeft.

Geldschepping

Het klinkt misschien wonderlijk, maar het is echt waar: het overgrote deel van het geld dat in omloop is, wordt niet gecreëerd door overheden of door centrale banken, maar door particuliere, commerciële banken. Dat gaat dan niet om gedrukte bankbiljetten of geslagen munten, maar om giraal geld: cijfers op bankrekeningen. Het creëren van chartaal geld is en blijft het voorrecht van overheden of van door overheden gemachtigde centrale banken.

Een bank heeft activa (de bezittingen, dus alles waar de bank recht op heeft) zijn gelijk aan de passiva (de verplichtingen en verantwoordelijkheden).

Aan de passiva-kant:

De deposito’s zijn alle gelden die door of voor de rekeninghouders gestort (‘gedeponeerd’) zijn. De waarden van hun spaar- en betaalrekeningen, dus. De obligaties zijn leningen waarmee de bank zelf geld heeft binnengehaald. Het eigen vermogen van de bank, ooit ingebracht door de oprichters (en dus eigenaren) van de bank en sindsdien verder uitgebreid door de uitgifte van aandelen aan aandeelhouders (die dus nu mede-eigenaren zijn), is per definitie het verschil tussen de activa en de deposito’s & obligaties; vandaar dat de balans vanzelfsprekend in evenwicht is.

Aan de activa-kant:

De reserves van beide banken zijn (op een kleine kasreserve na) ondergebracht bij de Centrale Bank. In tijden van veel vertrouwen in een gezonde economie zijn de reserves weinig hoger dan het wettelijk verplichte minimum, want die reserves zijn niet of nauwelijks winstgevend. In jaren waarin het vertrouwen laag is houden de banken grotere reserves aan, omdat de risico’s van investeringen dan zwaarder wegen dan de lage opbrengst van reserves bij de Centrale Bank. In de jaren rond 2017 waren die reserves zelfs verliesgevend, althans in de Eurozone, want de banken ontvingen geen rente, maar moesten juist aan de Europese Centrale Bank betalen als ze er hun reserves stalden.

De rest van het vermogen van de bank is uitgegeven in de vorm van leningen, verstrekt aan klanten. Dat zijn onder meer hypotheken, persoonlijke kredieten en leningen ten behoeve van bedrijfsinvesteringen.

Als er een hypotheek verstrekt wordt gebeurt het volgende. De bank deponeert het bedrag op de betaalrekening in een nieuw deposito. Dit is het moment waarop nieuw geld gecreëerd wordt.

De bankbalans blijft netjes in evenwicht, omdat aan de activa-zijde de nieuwe hypotheek wordt bijgeteld. Zodra je daarna het huis koopt, verschuift dat nieuwe gecreerde geld naar de bank van de verkoper.

De wettelijk verplichte reserve van de bank is nu te laag. Breedbank vult dat aan, bijvoorbeeld door een nieuwe obligatie uit te geven en zo geld vanuit de financiële markt op te halen. De Communale verlaagt de onnodig hoge reserve, bijvoorbeeld door een nieuwe lening te verstrekken.

Geld wordt bijna geheel gecreëerd door commerciële banken. Dus door bedrijven die niet gericht zijn op het maatschappelijk belang maar op het maken van winst in de vorm van zo veel mogelijk geld voor aandeelhouders en bonustrekkers.Centrale banken bepalen dus niet hoeveel geld er in totaal in omloop is. Ze kunnen het geldvolume wel beïnvloeden, bijvoorbeeld via rentetarieven, maar ze beslissen er niet over. De commerciële banken creëren maar liefst 95 procent van het geld, volgens het Sustainable Finance Lab. Om te voorkomen dat de banken al te kwetsbaar worden, is er een wettelijke beperking in de mate waarin de banken nieuw geld mogen scheppen.
Functies van geld

  1. Een rekeneenheid voor de relatieve waarde van goederen en diensten.
  2. Een betaal- en ruilmiddel.
  3. Een spaarmiddel, ook wel genoemd oppotmiddel, ten behoeve van uitgesteld bestedingsgedrag.
  4. Een middel om rijk te worden (liefst rijker dan de anderen) en rijk te blijven.
  5. Een middel om macht en invloed te verwerven en te behouden.
  6. Een middel om status te bezitten. Om te pronken, om personen van het andere (of hetzelfde) geslacht te imponeren,           om je belangrijk te voelen, om méér te zijn dan de buren.
  7. Een doel op zich.

Geld heeft een tendens tot ophopen. Rijk maakt rijker, arm maakt armer. Dat dit principe geen fictie is, blijkt uit gedegen onderzoek, zowel op de kortere als op de lange termijn.
 

Hoeveel geld is er eigenlijk in de wereld, en hoe groot is daarbij de verhouding tussen reële en financiële economie?

Chartaal geld

5 biljoen USD

= munten en bankbiljetten
Giraal geld = tegoeden op betaalrekeningen, die direct in chartaal geld kunnen worden omgezet
M0 = ‘monetaire basis’ (Engels: ‘monetary base’)
  = ‘basisgeld’
  = alle chartale geld + alle reserves van banken bij centrale banken
M1

30 biljoen USD

= ‘enge geldhoeveelheid’ (Engels: ‘narrow money’)
  = ‘maatschappelijke geldhoeveelheid’
  = M0 + alle girale geld + direct opvraagbare spaartegoeden + travelers checks
M2

60 biljoen USD

= ‘tussenliggende geldhoeveelheid’
  = M1 + ‘bijna-geld’ (Engels: ‘near money’ = ‘quasi money’)
  = M1 + redelijk snel opneembare tegoeden: kortlopende deposito’s (looptijd tot 2 jaar); deposito’s met een opzegtermijn tot 3 maanden
M3

80 biljoen USD

= ‘ruime geldhoeveelheid’ (Engels: ‘broad money’)
  = M2 + ‘bijna bijna-geld’ (Engels: ‘near, near money’)
  = M2 + aandelen in geldmarktfondsen, lang vastgelegde spaartegoeden, etc.

Naast de diverse geldsoorten is er bovendien nog het vermogen dat is vastgelegd in de vorm van derivaten, zon 630-1200 bijloen USD.

Ter vergelijking: Al het goud; 8 biljoen USD, de hele aandelenmarkt eind 2015; 67 biljoen USD, BNP van de wereld; 76 biljoen USD, alle schulden in de wereld 199 biljoen USD.

Dankzij de avonturen van systeembanken en beleggers kan je een toren tekenen voor de financiële economie: De onderste laag wordt gevormd door ‘echt’ geld: munten en bankbiljetten. Zij vormen het oorspronkelijke fundament: het is geld dat je kunt vasthouden. Waar je in kunt bijten (om de echtheid van gouden munten te beproeven). Dat je met je handen kunt tellen.

De tweede laag bestaat uit giraal geld en direct opvraagbare spaartegoeden. M1 dus, verminderd met het chartale geld, want dat zit al in de grondlaag. Aangezien M2 tegenwoordig zelden gebruikt wordt, bestaat de derde laag uit de ruime geldhoeveelheid: M3, verminderd met M1 (want die zit al in de lagen eronder). De toplaag, zwaar leunend op alle munten, bankbiljetten, bank- en spaarrekeningen en langlopende tegoeden, bestaat uit derivaten.

Perversiteiten

Bij dat alles komt als vanzelf de vraag op: wat hebben al die derivatenhandelaren eigenlijk aan de samenleving bijgedragen? Ze hebben geen brood gebakken. Geen huizen gebouwd. Geen straten geveegd, kinderen lesgegeven of patiënten verzorgd. Geen hypotheek geleverd waardoor een gezin een huis kan kopen, zelfs geen gezond beleggingsadvies gegeven. Ze schuiven geld heen en weer. Fictief schuldengeld. Wie wordt daar beter van?

Experimenten bevestigen: bijna iedereen is over te halen tot pervers gedrag, althans onder druk van een situatie of van autoriteit uitstralende mensen. Er lijkt weinig ruimte voor twijfel dat hetzelfde ook geldt als verleidingen op het gebied van geldme, macht en aanzien enorm groot zijn.

We moeten de weeffouten aanpakken

Duurzame economie; een economie die voorziet in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarmee voor toekomstige generaties de mogelijkheid in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien. Duurzame ontwikkeling gaat over veel onderwerpen. Er zijn verschillende manieren bedacht om in deze veelheid wat orde te scheppen.

Ecologische duurzaamheid (planet) heeft betrekking op het behoud en de veerkracht van het natuurlijk leefmilieu. Dit betekent dat ecosystemen en biodiversiteit worden beschermd en dat het vermogen van de natuurlijke leefomgeving ons grondstoffen te verschaffen en onze afvalstromen te verwerken, niet wordt aangetast.

Sociale duurzaamheid (people) gaat op individueel niveau over vervulling van primaire levensbehoeften, eerbiediging van mensenrechten, vrijheid en veiligheid, culturele waarden, scholing en gezondheid, zelfontplooiing, diversiteit, empowerment en participatie; en op maatschappelijk niveau over vrede, democratie, solidariteit en de bindende krachten in de samenleving.

Economische duurzaamheid (profit) is aanwezig wanneer de ontwikkeling naar sociale en ecologische duurzaamheid kan plaatsvinden in een voldoende stabiele economische omgeving en financieel haalbaar is, en wanneer individuen, gezinnen en samenlevingen gevrijwaard zijn van armoede. In plaats van ‘profit’ wordt ook wel de wat ruimere term ‘prosperity’ gebruikt.

Nu zijn er:

Voorbeelden van weeffouten, ingedeeld volgens de negen klassen, worden getoond in de tabel. Zij worden in de loop van het huidige hoofdstuk in verband gebracht met negen belangrijke economische thema’s. Met behulp van deze verbanden gaat getoond worden hoe de diverse weeffouten wortels hebben in het economisch systeem.

Ecologische onduurzaamheid