Een alternatief voor de EURO

Er zitten weeffouten in de euro. Op deze manier doorgaan wordt ook wel omschreven alsof de eurozone een konijn is dat half de snelweg heeft overgestoken.

Een klein stukje uit het Euro-evangelie over de weeffouten:

Een grote eurozone met een diversiteit aan landen was het resultaat van een politiek proces, niet van een rationeel economisch plan. Hoe zou de eurozone er dan uit hebben gezien als er alleen naar de economische kant van de zaak zou zijn gekeken? Het antwoord op die vraag is het levenswerk van de Canadese econoom Robert Mundell. Hij heeft het begrip Optimal Currency Area (OCA) geïntroduceerd. Een OCA is een gebied waarin verschillende landen dezelfde munt gebruiken en dat zo groot is dat er geen andere landen bij kunnen die nog een toegevoegde waarde hebben. Het is dus de vraag waar een OCA eindigt.

Om een OCA te vormen moeten de kandidaat-lidstaten aan vier voorwaarden voldoen:

  1. Een complete mobiliteit van arbeid.
  2. Een complete mobiliteit van kapitaal,
  3. Een sterke, herverdelende overheid die interne verschillen gladstrijkt.
  4. Een vergelijkbare conjunctuur.

Eerst wat macro-economie voor beginners. Het nationaal inkomen — de omvang van de economie — van een land (Y) bestaat uit vier onderdelen:

Y = C + I + O + (X – M).

De C staat voor consumptie en is het bedrag dat burgers van een land in een jaar intern besteden aan goederen en diensten, van afwasmachines tot ziekenhuisbezoek. Een hogere consumptie leidt tot meer werkgelegenheid.

De I staat voor investeringen door de bedrijven en wordt apart gemeten. C en I hangen nauw samen: een grotere consumentenvraag zal totmeer productie leiden en dus tot meer investeringen. Ze kunnen ook gelijktijdig dalen. Om te voorkomen dat dat leidt tot een krimpende Y — een recessie — kan de overheid besluiten haar eigen bestedingen — O — te vergroten. Dit principe, gebaseerd op het werk van de Engelse econoom John Maynard Keynes, impliceert dat de overheid anticyclisch moet investeren. Als de economie in een bepaald jaar krimpt omdat C en I tegenvallen, moeten daar meer overheidsbestedingen tegenover staan om de teruggang op te vangen.

De vierde component is het verschil tussen import (M) en export (X), ofwel de ‘handelsbalans’. Een land dat meer verkoopt dan inkoopt heeft een handelsoverschot. Andersom is er sprake van een handelstekort. Bij een handelsoverschot verdient een land aan handel met het buitenland. Handelstekorten worden gefinancierd met geleend geld — schuld. Hier komen we bij een van de kernproblemen van de eurozone. Als handelstekorten langdurig aanhouden, stapelen de schulden zich op. Zo had Spanje in 2007 een export van 170 miljard euro, terwijl het voor 270 miljard euro importeerde. Er was dus een tekort van 100 miljard euro, op een nationaal inkomen van 1000 miljard euro. Door de handelsbalans (X – M) te delen door Y, ontstaat er een handzaam percentage in plaats van een absoluut getal met veel nullen. In 2007 was het handelstekort van Spanje dus (270.000.000.000 – 170.000.000.000) ÷ 1.000.000.000.000, ofwel 10 procent. ‘Onhoudbaar hoog’, zoals EU-president Herman Van Rompuy in een interview met het Nederlandse opinieprogramma Buitenhof desgevraagd zei.

Nederland heeft overigens al vier decennia een structureel handelsoverschot van vele procenten. Zoals uit de eerste formule blijkt, vergroot een positieve handelsbalans het nationaal inkomen. Landen zijn dus gebaat bij een relatief hoge export. Die van een kleine, open economie als Nederland is echter lastig te sturen.

Het is moeilijk een buitenlander te motiveren op korte termijn meer binnenlandse producten te kopen. De enige manier waarop een land dat voor elkaar kan krijgen, is door de wisselkoers aan te passen: door de eigen munt in waarde te laten dalen, maakt een land zijn exportartikelen voor het buitenland goedkoper en zal de export dus toenemen. Zo vangt het buitenland het interne gebrek aan bedrijvigheid op. Ook door marktwerking kan een munt in waarde dalen.

Volgens Mundell heeft het bestaan van deze mechanismen grote gevolgen voor landen die overwegen samen in een muntunie te stappen. Als land A en B dezelfde munt invoeren en land A concurrerender is dan land B, zullen bij land B interne handelstekorten ontstaan. De werkloosheid zal dan het hoogst zijn in land B, terwijl dat land niet meer zelfstandig kan devalueren omdat de toetreding tot de muntunie deze weg heeft afgesloten.

Een sterke, herverdelende overheid die interne verschillen gladstrijkt.

Land A zou zichzelf uit de markt moeten prijzen, zodat land B wat meer lucht krijgt. Als de regering van land A daaraan meewerkt, vergroot die bewust de werkloosheid op het eigen grondgebied om de muntunie te helpen.

Een complete mobiliteit van arbeid.

Een alternatief om interne ongelijkheden strak te trekken, is arbeidsmigratie. Werknemers uit land B kunnen wegtrekken naar land A, zodat ze niet werkloos blijven. Als de mensen in land A echter een andere taal spreken dan in land B, wordt het al lastiger die mobiliteit op gang te brengen.

Een complete mobiliteit van kapitaal,

Interne ongelijkheid kun je ook terugdringen met kapitaalmobiliteit. Als er kapitaal van
land A naar land B kan stromen om in land B lokale werkgelegenheid te scheppen, is er ook niets aan de hand. Binnen de eurozone is hier sprake van.

Een vergelijkbare conjunctuur.

Binnen een muntunie zijn er geen mogelijkheden om het ene land te stimuleren en het andere af te remmen. A en B krijgen automatisch hetzelfde economische medicijn voor verschillende symptomen.

Nare gevolgen

Een mooi voorbeeld van deze interne verschillen is de TARGET2 balans. Het systeem dan banken van lidstaten onderling gebruiken om transacties uit te stellen. Een soort wie betaalt wat voor banken. Als Italianen iets van Nederland kopen gebeurt dan komt er een vordering op het TARGET2 balans te staan bij Nederland op Italie. De ECB schiet dit geld voor en zet het op de Nederlandse rekeningen, en houdt een schuld aan bij Italie.

Zoals je hieronder kan zien is dit inmiddels opgelopen tot 116 miljard voor Nederland. Italie heeft een vordering van bijna 500 miljard. Duitland heeft een balans van bijna 1000 miljard euro op de wie betaalt wat! De verschillen komen dus door handelsoverschotten, tekorten maar ook door kapitaalvlucht vanuit Zuid-Europa naar Noord-Europa.

target2 balances

Oplossing

Voorbeelden uit de recente monetair-economische geschiedenis (Zuid-Korea, Mexico, Thailand en Brazilië) hebben ons geleerd dat crises vergelijkbaar met die in de Zuid-Europese probleemlanden succesvol en relatief snel opgelost kunnen worden middels de beproefde IMF-aanpak van:

  1. monetaire devaluatie van de nationale munt;
  2. publieke en private hervormingen;
  3. besparingen;
  4. waar noodzakelijk, afboeking van staatsschulden tot een draagbaar niveau.

We moeten op zoek naar een muntdie de voordelen van het noodzakelijke nationaal gerichte monetaire beleid binnen de eurozone combineert met het behouden van de voordelen van de euro.

Dezelfde wisselkoers en hetzelfde rentebeleid kan niet werken voor de niet alleen economisch zo verschillende eurolanden. De conclusie is dan dus dat er binnen de eurozone wisselkoersaanpassingen en dus eerst wisselkoersen moeten komen als eerste voorwaarde voor het herstel. Introductie van wisselkoersen geeft dan ook direct de mogelijkheid van de eveneens noodzakelijke rentedifferentiatie.

Ontmoet de Matheo Solution (TMS): www.thematheosolution.eu

Het TMS-kernconcept (gebaseerd op de theorie van de functies van geld) is een slimme, innovatieve en eenvoudig toepasbare alternatieve euroconstructie die de voordelen van de euro als eenheidsmunt combineert met de noodzaak van wisselkoersen en rentedifferentiatie op nationaal niveau. Met andere woorden: het beste van twee werelden, die van de gewenste monetaire stabiliteit van de euro als gemeenschapsmunt en die van de noodzakelijke monetaire flexibiliteit van nationale munten.

De essentie hiervan is, dat de euro gewoon kan blijven voortbestaan als enig chartaal en giraal betaalmiddel in alle eurolanden. Echter, naast de bestaande ‘eurorekeneenheid’ worden op lidstaatniveau nieuwe ‘nationale rekeneenheden’ geïntroduceerd, voor het bepalen en, waar en wanneer nodig, in één klap kunnen aanpassen van de hoogte van prijzen en lonen in een euroland t.o.v. die in andere eurolanden. Deze nationale rekeneenheden dienen als rekeneenheid voor alle binnenlandse transacties terwijl de rekeneenheid van de euro blijft dienen voor grensoverschrijdende transacties binnen de eurozone.

Voor de helderheid, we lopen dan dus niet met guldens, marken of francs in onze zak, maar overal gewoon met euro’s

Voor de helderheid, we lopen dan dus niet met guldens, marken of francs in onze zak, maar overal gewoon met euro’s. En in ieder euroland worden de prijzen weergegeven zowel in de betreffende nationale rekeneenheid als in euro.

Met deze scheiding van de betaal– en rekenfunctie van geld kan er dus binnen de eurozone – dus gewoon met behoud van de euro als betaalmiddel – een wisselkoersmechanisme (door de ECB gemanagede vaste maar aanpasbare wisselkoersen) worden gevormd zodat er, waar en wanneer noodzakelijk, ‘monetair’ gedevalueerd kan worden. Hierdoor herstellen de aangetaste (internationale) concurrentieposities en de economieën van de Zuid-Europese probleemlanden, voor wie de euro nu veel te duur is, op de noodzakelijke korte termijn en op eigen kracht.

De nationale rekeneenheden bieden bovendien de basis voor een noodzakelijk (door de ECB gemanaged) gedifferentieerd rentebeleid, toegespitst op de economische situatie van elk individueel euroland. Alle eerder hiervoor genoemde desastreuze gevolgen van het one-size-fits-all Euro Pact zullen dan al snel tot het verleden behoren.

En omdat de introductie van deze nationale rekeneenheden niet strijdig is met het EU-Verdrag (de euro blijft immers het enig wettig betaalmiddel in alle eurolanden), zou dit systeem zonder Verdragswijziging (dus bij wijze van spreken morgen al) gerealiseerd kunnen worden. Met een Euro Pact op de leest geschoeid van TMS zal, door het directe sociaal economische herstel, het maatschappelijke en politieke draagvlak voor het doorvoeren van noodzakelijke hervormingen toenemen. Verder behoeft de ECB zich dan nooit meer in onmogelijke (waaronder onwettige) bochten te wringen om de munt in leven te houden. En de euro krijgt dan eindelijk de potentie om uit te groeien tot ’s-werelds belangrijkste reserve-valuta.

Omdat bij TMS de euro het enig wettig betaalmiddel blijft in alle eurolanden, zijn de eenmalige transitiekosten van TMS – anders dan bij alle andere euro-alternatieven – zeer beperkt. Met een eenvoudige aanpassing van de softwaresystemen bij de financiële instellingen is die klus immers zo goed als geklaard.

Omdat bij TMS de euro het enig wettig betaalmiddel blijft, zijn de eenmalige transitiekosten van TMS zeer beperkt

Teneinde de hervormingsdiscipline echt goed in gang te zetten bepleit TMS het in ere herstellen van de ‘no-bail-out-bepalingen’. Verder dienen onhoudbare nationale staatsschulden, volgens de beproefde IMF-aanpak, tot een reëel houdbaar niveau te worden teruggebracht. Ter voorkoming van belangenverstrengeling, zou het bankentoezicht niet bij de ECB maar bij de EBA (European Banking Authority) ondergebracht moeten worden. De herkapitalisatie van Europese systeembanken wordt – waar nodig en waar lidstaten dat niet zelf kunnen – via een eveneens doordachte TMS-constructie gefinancierd door de ECB, met dien verstande dat die banken dit later zelf gaan terugbetalen uit toekomstige winsten en de factuur dus niet bij de belastingbetaler op de mat ploft.

Bronnen:

http://925.nl/archief/2017/05/01/het-euro-evangelie-een-aanval-op-de-waarheid/

http://925.nl/archief/2017/04/15/bestel-hier-het-euro-evangelie-deel-ii/

https://www.vpro.nl/speel~VPWON_1220454~weeffouten-in-euro~.html