Waar is mijn pensioen?

De waarde van het geld in de pensioenfondsen bereikt ongekende hoogte, maar waar bestaat het eigenlijk uit?

Het Nederlandse pensioenstelsel bestaat uit vier pijlers.

1. De AOW, een volksverzekering die in 1956 is ingevoerd. Het is het basispensioen voor alle Nederlandse ingezetenen. De AOW-uitkeringen worden rechtstreeks betaald uit de lopende inkomsten vande overheid. Er worden hiervoor geen reserves opgebouwd. AOW-premies worden betaald door alle belastingplichtigen tot 65 jaar. Zij dragen een vast percentage af over hun inkomen. De AOW biedt een vast bedrag als pensioeninkomen dat niet gerelateerd is aan het arbeidsverleden. Ook is de hoogte van de AOW-uitkering niet afhankelijk van andere inkomensbronnen van het huishouden. De hoogte van de AOW-uitkering is wel afhankelijk van het aantal jaren dat iemand tussen zijn vijftiende en de pensioengerechtigde leeftijd in Nederland heeft gewoond, de samenstelling van het huishouden en de leeftijd van de partner. Iedereen van 15 tot 65 jaar die in Nederland woont, bouwt per jaar 2 procent AOW rechten op. Een volledige AOW-uitkering wordt dus in vijftig jaar opgebouwd. De netto-AOW van iemand die alleen woont, is gelijk aan 70 procent van het nettominimumloon. Als iemand getrouwd is of samenwoont, ontvangt hij of zij 50 procent van het nettominimumloon, zodat twee partners samen 100 procent ontvangen.

2. Persoonsgebonden pensioenaanspraken die werknemers samen opbouwen met de werkgever door middel van premiebetaling en rendement op beleggingen. Dit aanvullende werknemerspensioen is gebaseerd op het kapitaaldekkingsstelsel; werknemers en werkgevers sparen voor het toekomstige pensioen van de werknemer. Alle ingelegde gelden worden beheerd door pensioenfondsen of levensverzekeraars. Een deelnemer bouwt ieder jaar een vast percentage van het loon op als toekomstige pensioenaanspraak. Alle deelnemers aan een fonds betalen hiervoor hetzelfde premiepercentage. Echter, een toenemend deel doet dit door te sparen via een ‘eigen potje’ dat bij pensionering wordt omgezet in een jaarlijkse pensioenuitkering. Deze tweede pijler geldt niet voor zelfstandigen, zij moeten vaak in de derde pijler hun pensioen regelen.

Meestal betalen werkgevers ongeveer 2/3 van de totale pensioenpremies en werknemers 1/3 deel. Pensioenfondsen beleggen de premies om later aanvullend pensioen uit te kunnen betalen. De overheid speelt een belangrijke rol omdat zij de opbouw van tweede pijler fiscaal ondersteunt en in veel gevallen verplicht stelt. Pensioenpremies zijn aftrekbaar en het pensioenvermogen wordt niet belast. Wel wordt de pensioenuitkering belast. Daarnaast faciliteert de overheid zoals gezegd de omvangrijke tweede pijler door de verplichtstelling van pensioenregelingen voor bepaalde groepen werknemers; deze zijn verplicht om deel te nemen aan de pensioenregeling van hun werkgever. Hierdoor is de participatiegraad in het Nederlandse stelsel erg hoog. Ongeveer 90 procent van de werknemers neemt deel aan een werknemerspensioen.

Deze pensioenfondsen moeten hun pensioenspaarders een bepaald uitkeringsbedrag garanderen. Daarna moeten ze dat nog waar zien te maken. Sinds de crisis vanaf 2008 is gebleken dat dat lang niet altijd lukt.

3. Individuele pensioenopbouw van werknemers, maar vooral ook van zelfstandigen, die later bijvoorbeeld uitgekeerd wordt als lijfrente.

4. Privévermogen dat gebruikt kan worden om het pensioen te financieren.

Eind 2013 zat van de Nederlandse pensioenaanspraken in de eerste drie pijlers 54 procent in, 40 procent in de tweede pijler en 6 procent in de derde.

Kosten AOW

In 2014 bedroegen de uitgaven voor de AOW 34 miljard euro, bijna 13 procent van de overheidsuitgaven. Sinds 2008 zijn de uitgaven met meer dan een kwart gestegen. De stijging van de AOW-uitgaven is het gevolg van de vergrijzing en gaat dan ook nagenoeg gelijk op met de groei van het aantal uitkeringsgerechtigden. Terwijl de uitgaven stegen, daalden de laatste jaren de premie-inkomsten. De ontvangen premies dekten in 2014 slechts 69 procent van de AOW uitgaven. Dit tekort wordt door de overheid aangevuld.

bevolkingspiramideHet CBS becijfert de AOW-aanspraken voor eind 2013 op 1356 miljard euro, oftewel 208 procent van het bbp. In 2007 bedroegen de AOW-aanspraken nog 797 miljard euro, oftewel 130 procent van het bbp. De aanspraken liggen daarmee ver boven die van het aanvullend werknemerspensioen, die voor eind 2013 uitkwamen op 157 procent van het bbp.

Hierdoor kan je je afvragen, moet de AOW-leeftijd omhoog?

Kosten pensioenfondsen

Het vermogen dat hier wordt opgebouwd is grotendeels toevertrouwd aan binnenlandse pensioenfondsen. Het aandeel van verzekeraars in de pensioenvoorziening is met 20 procent relatief klein (aandeel in 2014). Eind maart 2015 bedroeg het vermogen van Nederlandse pensioenfondsen 1 353 miljard euro, oftewel bijna 1,4 biljoen. Het vermogen van pensioenfondsen wordt gevoed door premie-inkomsten en beleggingsopbrengsten. Hiervan zijn de beleggingsopbrengsten het belangrijkst. Het vermogen van pensioenfondsen is hard gegroeid, maar de aanspraken nog harder! Waar het vermogen van de pensioenfondsen de laatste vijf jaar met 70 procent steeg, namen de aanspraken toe met ongeveer 85 procent.

De mate waarin een pensioenfonds in staat is aan zijn (toekomstige) betalingsverplichtingen te voldoen wordt uitgedrukt in de dekkingsgraad, het belegd vermogen gedeeld door de aanspraken. Bij het vermogen gaat het om de actuele waarde; hiervoor wordt de marktwaarde gebruikt. Met een dekkingsgraad van 100 procent heeft een fonds dus precies genoeg vermogen om de verwachte verplichtingen na te komen. De Nederlandsche Bank (DNB) eist echter een buffer die neerkomt op een minimale dekkingsgraad van 105 procent. Is de dekkingsgraad onder de 105 procent, dan moet het betreffende pensioenfonds in een herstelplan aangeven hoe hij weer gezonde verhoudingen denkt te bereiken. Daarvoor zijn in theorie drie instrumenten, die ook in combinatie ingezet kunnen worden:

  1. Stijgen van de premies.
  2. Stijgen van de beleggingsopbrengsten.
  3. Vermindering van de pensioenrechten, door bijvoorbeeld het niet meer meerekenen van de inflatie.

Van maart 2017 tot maart 2018 was de dekkingsgraad gemiddeld 108%.

Waar gaat dat geld uit de pensioenfondsen heen?

De aard van de belegging van het pensioenfonds is in de loop der jaren veranderd. Van langlopende leningen naar schuldbewijzen en aandelen.

pensioenfonds belegging

De Nederlandse pensioensector is relatief groot is in verhouding tot de economie en kan daardoor van grote invloed zijn.

 

internationaal.PNG

Dit geld blijkt echter vooral in het buitenland belegd te worden. In totaal hebben de pensioenfondsen een belegd vermogen van 1224 miljard euro, waarvan bijna 152 miljard (12.4%) in Nederland is belegd. De verzekeraars beleggen meer in Nederland, zij investeren zo’n 40.1% van hun vermogen in eigen land.

tabel

In het Regeerakkoord van Rutte III worden pensioenfondsen aangewezen om te investeren in duurzaamheid en de energietransitie door leningen te verstrekken aan huiseigenaren. Dit kan een grote impact hebben!

Bronnen:

https://nos.nl/artikel/2197618-pensioengeld-en-vermogen-vooral-belegd-in-het-buitenland.html

CBS – Totale pensioenafspraken van Nederland in beeld

NLII – Institutionele beleggers: financiers van de Nederlandse economie (deel 1)